Te vroeg moeten loslaten

Door Ton van der Wekken

De vorige keer heb ik geschreven over het wetsvoorstel om levenloos geboren kinderen op te kunnen nemen in de Basisregistratie Personen (BRP). Uit de cijfers van de Rijksdienst voor identiteitsgegevens blijkt dat in de eerste 4 dagen ruim 850 levenloos geboren kinderen zijn geregistreerd. Dat zegt meer genoeg.

Dit keer wil ik schrijven over baby’s die te vroeg geboren zijn en kort geleefd hebben. In de bijna dertig jaar dat ik dominee ben, heb ik dit meer dan tien keer meegemaakt. Ook zijn we er in ons eigen gezin mee geconfronteerd. Dit artikel schrijf ik als dominee, maar ook als opa. Het is een onderwerp dat mij meer dan gemiddeld raakt en zelfs nog dagelijks bezighoudt.

Ik heb twee echtparen gevraagd om er iets over te vertellen wat hen is overkomen en daarna probeer ik daar een aantal pastorale opmerkingen bij te maken.

Twee persoonlijke verhalen

Het eerste verhaal gaat over een jong stel dat een meisje van een jaar of twee heeft op het moment dat ze te horen krijgen dat ze weer in verwachting zijn. Dat maakt hen heel dankbaar en blij. Met twintig weken kregen zij te horen dat hun baby een chromosoomafwijking heeft. Dit bericht maakte hen radeloos en heel verdrietig. Dan wordt de vraag gesteld of ze de zwangerschap willen beëindigen, maar dat willen ze absoluut niet. Verder is het onbekend hoe lang alles zal gaan duren. Ze moesten alles uit handen geven in de hand van de Here God. Het was moeilijk om bijvoorbeeld naar de supermarkt te gaan. Tussen de pakken melk door, werden soms heel moeilijk en pijnlijke vragen gesteld. Dat wordt als heel confronterend ervaren. Het was ook lastig naar de Here God toe. ‘Waarom moeten wij dit meemaken?’ ’Waarom zal ons meisje niet bij ons kunnen blijven?’ En dan toch telkens weer de hoop dat God wonderen kan doen. Maar het wonder is niet gebeurd. Na veertig weken zwangerschap is hun meisje geboren. Ze hebben 6 minuten voor mogen zorgen. Dat waren kostbare en heel dankbare momenten. Ze hadden het gevoel door God gedragen te worden. Hun pareltje mag nu bij God zijn. Zo ervaren ze het, ondanks het verdriet en de vragen.

Het tweede verhaal gaat over een jong stel dat in verwachting is van hun eerste. Op vakantie in Frankrijk krijgt de moeder weeën en bloedverlies. De zwangerschap is op dat moment 24 weken en 2 dagen. De doctoren doen hun best om er voor te zorgen dat de baby langer kan blijven zitten. Maar de bevalling zet toch door. En zo wordt hun zoontje geboren, 717 gram en 30 cm. Daarna begon het wachten. Hoop, angst en vrees wisselden elkaar af. Hun zoontje heeft 1 dag mogen leven. De ouders mochten zelf alles doen. Bij elke stap werden ze begeleid. En dan moet je weer terug naar Nederland. De ouders waren al thuis en twee dagen later kwam hun zoontje. Dat was en verschrikkelijk moeilijke en zware tijd. De begrafenis was mooi, maar moeilijk. Je moet loslaten, terwijl je dat niet wil. De periode daarna was zwaar voor zowel de moeder als de vader. Je gaat door een heel diep dal. In zo’n periode leer je wel je vrienden kennen. Er zijn ook mensen die met een bochtje om je heen lopen en anderen die niet vragen naar hun zoontje en hoe het met de ouders gaat. Dat doet heel veel pijn. Na vijf maanden was er weer het blijde nieuws dat er een kindje op komst was. Tegelijkertijd gaf dat ook veel angst. Zou het nu wel goed gaan? Ook dan word je geconfronteerd met vragen die pijn doen. Toen de baby geboren was, weer een zoon, werd de vraag gesteld hoe het nu voelt om moeder te zijn. Dat was de moeder al. De eerste heeft haar tot moeder gemaakt. Natuurlijk is er dankbaar naar God toe voor dit nieuwe leven, maar de vragen en de pijn zijn niet zo maar weg.

Pastorale opmerkingen

Ik weet niet hoe ik dit kopje anders moet doen. Het gaat in de gemeente van de Here Jezus om zorg voor elkaar. Het is heel pijnlijk wanneer je nieuw leven verwacht, dat je niet lang voor je kindje mag zorgen. Soms weet je dat een kindje niet lang zal leven, en soms komt het heel onverwachts. In beide gevallen stort je leven in. Je hebt God, soms al heel lang, gebeden om nieuw leven en dan overkomt je dit. Dan krijg je vragen waar je geen antwoord op hebt. Dan blijkt dat iedereen recht heeft op zijn of haar eigen rouwproces, omdat iedereen het anders verwerkt. Dat geldt ook voor de ouders. De één wil er graag over praten en de ander verwerkt het op een andere manier. Geen twee mensen rouwen op dezelfde manier en in hetzelfde tempo, ook niet wanneer zij rouwen om hun gemeenschappelijk kind. De relatie met de baby wordt door man en vrouw vaak anders beleefd. De vader van het kind neemt meestal sneller de gewone draad van het leven weer op, wat tot onbegrip kan leiden binnen het ouderpaar. Het is goed om je dat bewust te gaan. Over de duur van een rouwproces bestaan verschillende meningen. Er geldt geen algemene regel voor. Praktisch gezien kan men het best de ouders de tijd gunnen die zij zelf aangeven nodig te hebben om te rouwen. Een verwerkingsproces verloopt zelden volgens een gelijkmatig stijgende lijn. Terugval en soms diepe dalen komen voor, ook in processen met een over het geheel positieve ontwikkeling. Te weten dat God je kent en ook je verdriet, geeft troost en houvast, maar wordt niet altijd als zodanig ervaren. Verdriet om het verlies van een kind gaat nooit helemaal over. En God weet!

Stichting Make a Memory

Beide ouderparen hebben gebruik gemaakt van bovengenoemd stichting. Deze stichting fotografeert op verzoek van ouders en via bemiddeling van zorgprofessionals ernstig zieke, terminale en overleden kinderen in de leeftijd van 23 weken (zwangerschap) en tot en met zeventien jaar. Met een landelijk netwerk van ruim 140 professionele fotografen worden thuis of in het ziekenhuis foto’s gemaakt. De foto’s bieden de ouders troost en een blijvende herinnering en kunnen wezenlijk helpen bij de verwerking van het verlies. Voor de ouders zijn er geen kosten aan verbonden. Je hoeft het natuurlijk niet te doen, maar als je het niet doet, dan kun je er niet naar kijken. En als je het wel doet, dan hoef je er niet naar te doen. Beide ouderparen hebben het als zeer positief ervaren.

Grootouders en verdere familie

Ook grootouders, broers en zussen en overgrootouders hebben veel verdriet en pijn. Het is goed om daar in de gemeente ook rekening mee te houden en aandacht voor te hebben. Grootouders hebben het verdriet van het overlijden van hun kleinkind en het verdriet van het verdriet van hun kinderen. Opmerkingen als “het is maar beter zo”, en “je kleinkind is bij Jezus” en “misschien komt er weer gauw een kleinkind” slaan de plank mis en doen heel veel pijn. Net zoals ouders graag over hun kind spreken, doen grootouders dat ook. En gewoon een schouderklopje of ‘we bidden voor jullie’ doen heel goed. En dan heel persoonlijk: als grootvader denk ik nog dagelijks aan ons kleinzoontje en wil het graag over hem hebben. En ja, hij is bij Jezus. Dat mogen we geloven. Maar wat hadden we hem hier graag nog gehad.

Tips

Gewoon wat tips van de ouders. Loop niet met een bochtje om hen heen die een groot verdriet hebben ervaren. Blijf contact houden. Stuur veel kaarten, maar zet er niet teveel op. ‘We denken aan jullie’ of ‘we bidden voor jullie’ is vaak al meer dan genoeg. Vraag niet: ‘’hoe gaat het met je?’ Het gaat slecht. Deze vraag wordt als zeer pijnlijk ervaren. Stel voor om dingen met hen te doen, maar laat het wel bij de ander. Hou het niet vaag, maar concreet. En bedenk dat rouw voor iedereen anders is en dat iedereen er anders mee omgaat.

Nu kijken wij nog in een spiegel vol raadselen. Ons leven is een gebroken en broos leven en kan heel veel pijn doen. Eenmaal zal de Here Jezus terugkomen om alles nieuw te maken en dan is werkelijk alles goed. Tot die tijd moet Hij ons de onze maar heel goed vasthouden.