Toch een naam

Door: Ton van der Wekken

Het komt niet vaak voor dat een wetswijziging van alle partijen steun krijgt en een hamerstuk wordt. Vaak wordt er gedebatteerd en is er een langdurig Kamerdebat nodig om een wetswijziging er door te krijgen. Toch zijn er uitzonderingen. En één van die uitzonderingen was het wetsvoorstel om levenloos geboren kinderen op te kunnen nemen in de Basisregistratie Personen (BRP). De BRP is de opvolger van de Gemeentelijke Basisadministratie. Dat is de registratie van alle mensen die in Nederland verblijven of hebben verbleven. Tot begin dit jaar stonden kinderen die levenloos geboren zijn daar niet in geregistreerd. Vanaf 4 februari 2019 kunnen ouders dat wel doen, ook met terugwerkende kracht.

Het was een petitie die 82.000 keer was ondertekend, die het onderwerp in 2016 op de politieke agenda zette. De initiatiefnemers van de petitie schreven dat ze het als een gemis en als een onrecht zagen dat hun levenloos geboren kind niet in het BRP voorkwam. Het duurde even, maar in 2018 lag er toch een wetsvoorstel.

Over het wetsvoorstel bestond eigenlijk geen discussie. Kamerbreed was er grote steun voor deze petitie. Toch wilde de Kamer er geen hamerstuk van maken, vanwege het emotionele belang. Hoewel het om een juridische simpele wetswijziging ging, heeft het grote gevolgen. Deze wetswijziging doet recht aan de emotionele band tussen ouder en kind vanaf de conceptie. De registratie is niet verplicht, maar ouders die hun levenloos geboren kind willen registreren mogen dat vanaf 4 februari doen.

Het is een persoonlijk verzoek, dus het kan gedaan worden door één van de ouders, terwijl de andere ouder dat verzoek niet doet. Er is dus geen toestemming van beide ouders nodig. Voor de registratie maakt het dan ook niet uit hoe lang het geleden is en ook niet hoelang de zwangerschap heeft geduurd. Wel moet de aanvraag schriftelijk gedaan worden door één van der ouders en moet de ouder ten tijde van de geboorte ingezetene van Nederland zijn geweest.

Voor de inschrijving in het BRP moet de akte van geboorte (levenloos) of een akte levenloos geboren kind meegenomen worden. Is die akte er niet, bijvoorbeeld omdat die zoek is geraakt, dan kan de gemeente die alsnog opvragen bij de gemeente waar deze akte destijds is opgemaakt. Is er nooit een dergelijke akte opgemaakt, dan kan dat alsnog gebeuren. De ambtenaar van de burgerlijke stand zal dan zelf besluiten of er voldoende informatie is. Natuurlijk moeten ambtenaren van de burgerlijke stand geen akten opmaken ten aanzien van feiten waaraan getwijfeld wordt of zij werkelijk gebeurd zijn. In de memorie van toelichting bij de wet schreef de staatssecretaris dat hij er op vertrouwt dat de ambtenaar ‘gelet op de specifieke situatie, daarmee ruimhartig omgaat’. Uit de cijfers van de Rijksdienst voor identiteitsgegevens blijkt dat in de eerste 4 dagen ruim 850 levenloos geboren kinderen zijn geregistreerd. Dat zegt meer genoeg.

In de praktijk van het pastoraat heb ik veel gesprekken gehad met zusters en broeders die dit hebben meegemaakt. Soms is het al meer dan vijftig jaar geleden dat zij een levenloos kindje hebben gekregen, maar het verdriet is er niet minder om. Sommige verhalen zijn heel schrijnend en pijnlijk. Het is voorgekomen dat een moeder haar levenloos geboren baby niet gezien heeft en dus ook niet heeft vastgehouden. Of het een jongetje of een meisje was, dat weet de moeder ook niet. Wat er mee gebeurd is, dat is ook onbekend. En vaak heeft een levenloos geboren baby ook geen naam gekregen.

In andere gevallen is de baby begraven. Vaak gebeurde dat door de vader met grootouders en een dominee. De moeder was daar zelf niet bij. Ze kon er ook niet bij zijn, want ze lag nog in het kraambed en moest herstellen. In dat opzicht werd de moeder er buiten gehouden. Soms had de baby een naam, maar vaak ook niet. Ook al had je als ouders de baby een naam gegeven, deze werd niet geregistreerd. Voor de overheid had de baby nooit bestaan. Daar kwam bij dat er (soms) ook nooit meer over gesproken werd.

Omdat er vaak niet meer over gesproken werd, moest je dat zelf maar verwerken en een plekje geven. Het leven ging ‘gewoon’ (wat is gewoon) door. Als je later weer kinderen mocht ontvangen, dan werd je daardoor in beslag genomen en moest je wel verder. Toch bleef je als ouders, met name als moeders, met het verdriet zitten. En als je er niet over kon praten, dan was het ook heel erg moeilijk om het verlies van je kindje te verwerken.

De afgelopen paar jaar heb ik daar met verschillende zusters over gesproken. Het heeft mij zeer geraakt wanneer ik zie hoeveel stil verdriet en pijn er zit bij hen. Het is voor velen heel pijnlijk dat er bijna niet meer over gesproken is. Je zult maar negen maanden een kindje bij je dragen om dan geconfronteerd te worden dat het levenloos geboren wordt. Dat is negen maanden dankbaar zijn dat je leven mag ontvangen en dan los te moeten laten wat je soms niet eens zelf in je armen hebt kunnen vasthouden. Wat een verdriet en wat een pijn.

Sommige reactie van mensen maken het er niet gemakkelijker op. ‘Het is maar beter zo’ of ‘Je weet niet waar je kindje voor bewaard is gebleven’. Allemaal goed bedoelde opmerkingen, maar deze kunnen heel veel pijn doen. Sterker nog, deze doen heel veel pijn.

Zelf ben ik een groot fan van de vrienden van Job. Daar moet ik iets bij zeggen. Dan bedoel ik de eerste zeven dagen nadat Job zoveel is overkomen. De eerste zeven dagen zaten de vriend van Job bij hem en zeiden niets. Ze waren er. Ze luisterden. Dat is goed. Je hebt soms zoveel vragen, maar geen antwoorden. Wees maar stil. Ga naast iemand zitten. Luister naar de verhalen van zusters en broeders. Luister naar hun verdriet. Dat is vaak meer dan genoeg. Zusters en broeders die dit hebben meegemaakt zitten niet te wachten op antwoorden. Ze willen dat je er bent en ze willen dat je er voor hen bent. Dat is meer dan genoeg. Meer is niet nodig. Denk nog maar even aan de vrienden van Job. Toen ze begonnen te praten ging het fout.

In gesprekken die ik met zusters en broeders heb, kwam dit ook heel vaak naar boven. Toch was er ook troost en houvast omdat ze wisten dat hun kindje bij de Here was. De Here heeft ook hun kindje bij de naam geroepen en gezegd “Jij bent van Mij!”. Een naam is zó belangrijk. Bijbels gezien ook. Wanneer je een naam hebt, dan ben je iemand. Door je naam ben je te onderscheiden van andere mensen. Toch lijkt het er vandaag aan de dag niet op dat iemand nog geïnteresseerd is in onze naam. Je hebt een naam, maar je bent eigenlijk een nummer. De wereld waarin we leven is zo onpersoon¬lijk geworden. Je weet soms niet eens hoe je buurman of buurvrouw heet. Hoeveel mensen mogen in deze wereld geen naam hebben? De talloze kinderen die sterven van de honger -wie weet waar? Wie kent hun naam, hun wezen, hun verlangen, hun verdriet?

De kinderen die in grote sloppenwijken van Rio de Janeiro en andere grote steden ronddolen. Wie kent ze? Wie weet er van hun bestaan? En dan dichterbij. Hoeveel naamloze jongens en meisjes zijn er niet op massale leerfabrieken? Hoeveel jongeren en ouderen voelen zich vandaag aan de dag niet eenzaam? Wie heeft er werkelijk belangstelling voor mij? Wie weet werkelijk wie ik ben? Maar voor onze God zijn we geen nummer. Nee, Hij kent ons en de onzen bij de naam, want Hij is onze Schepper. Al onze namen zijn bij Hem bekend. Dat is troost en dat geeft houvast. Dat heb ik in veel gesprekken ook mogen horen. Ook al hebben wij onze kinderen geen naam kunnen geven, God kent ze wel.

Maar dat er dit jaar de gelegenheid is gekomen om levenloos geboren kinderen te kunnen registreren heeft heel veel ouders heel veel gedaan. Ook al is het veertig of vijftig jaar geleden, dat je je kind hebt kunnen registreren, heeft heel veel gedaan. Er zijn geen woorden voor. Ook in onze gemeenten is er veel stil verdriet. Het is goed om er voor elkaar te zijn en naar elkaar te luisteren. Tijdens bidstond voor gewas en arbeid hebben we in Dokkum dit verdriet bij de Here gebracht en het volgende lied gezongen:

Daar boven juicht een grote schaar,
Van kind’ren voor Gods troon,
Verlost van zond’ en van gevaar,
tot eer van ’s Vaders Zoon.

Dit maakte heel wat los. En samen hebben we dit bij de Here mogen brengen. En daar ben ik Hem heel dankbaar voor.